urinewegen bij kat en hond

 

De urinewegen bij kat en hond

Bij katten en honden komen regelmatig aandoeningen van de lagere urinewegen voor. Dit zijn aandoeningen van de urineleiders, de blaas of de urinebuis. Een belangrijke oorzaak van urinewegproblemen is de vorming van blaasstenen. In deze folder kunt u lezen welke blaasstenen het meest voorkomen bij katten en honden, waardoor deze stenen ontstaan en wat de behandeling ervan inhoudt. Wanneer uw kat of hond last heeft van blaasstenen, zal uw dierenarts in de meeste gevallen een speciale dieetvoeding en/of medicijnen adviseren en een aantal verzorgingsadviezen geven.

 

 

 

Symptomen van urinewegproblemen?

 

N

Bloed in de urine

N

Vaak plassen en kleine beetjes plassen

N

Pijn en soms persen bij het plassen (niet te verwarren met persen op de ontlasting)

N

De kat kan tijdens het plassen een karakteristieke houding op de kattenbak aannemen (dit kan met pijnuitingen gepaard gaan)

Een verstopping van de urinebuis is een SPOEDGEVAL!

Wat zijn blaasstenen?

Het ontstaan van blaasstenen begint met de vorming van kristallen in de urine. Kristallen vormen zich als er voldoende kristalvormende bestanddelen in de urine aanwezig zijn. Deze kristalvormende bestanddelen verschillen per steen en bestaan uit de mineralen die later de steen zullen vormen. De kristallen kunnen zich vasthechten aan
organisch materiaal in de urine, zodat er structuren ontstaan die op den duur kunnen uitgroeien tot stenen.
De meest voorkomende blaassteen bij zowel katten als honden is de struvietsteen. Struviet is opgebouwd uit de mineralen magnesium, ammonium en fosfaat. Met name bij de kat is struviet beter bekend onder de naam blaasgruis. Een andere, regelmatig voorkomende, blaassteen bij katten en honden is de calciumoxalaatsteen.
Andere stenen, zoals cystine, xanthine en uraat, komen minder vaak voor.
De volgende factoren kunnen de vorming van blaasstenen beïnvloeden:

• Zuurgraad (pH) van de urine
Struviet ontstaat in een urine met een hoge pH, ook wel een alkalische urine genoemd. Oxalaat ontstaat juist eerder in een urine met een lage pH, ofwel een zure urine. Factoren die de zuurgraad van de urine beïnvloeden, kunnen dus bijdragen aan de vorming van blaasstenen.

• Mineralen samenstelling van de urine
Kristallen worden gevormd door verschillende mineralen. De concentratie van deze mineralen in de urine wordt direct beïnvloed door de samenstelling van de voeding. Zo helpt een laag magnesiumgehalte in de voeding herhaalde struvietsteenvorming verminderen.

• Urineweginfectie (blaasontsteking)
Bacteriën die een infectie veroorzaken, verhogen de pH van de urine en dus de kans op struvietvorming. Een bacteriële blaasontsteking komt met name bij de hond voor.

• Vochtopname
Als uw kat of hond weinig drinkt, zal de urine geconcentreerder zijn en zullen zich gemakkelijker stenen vormen.

• Leeftijd, geslacht en ras
Jongere katten (tussen 1 en 2 jaar) hebben een groter risico op struvietstenen, terwijl bij oudere katten vaker oxalaatstenen ontstaan. Het moment waarop het risico op oxalaatstenen groter wordt dan het risico op struvietstenen is naast de leeftijd ook afhankelijk van het geslacht van de kat. Bij de hond komen sommige stenen vaker voor bij bepaalde rassen, zoals uraatstenen bij de Dalmatiër.

• Frequentie van het plassen
De urine blijft langer in de blaas als een kat of hond zijn plas lang moet ophouden. De kans op steenvorming is dan groter.

• Lichaamsgewicht en beweging
Vooral bij de kat is bekend dat katten die weinig actief zijn, vaker last hebben van urinewegproblemen dan katten die veel lichaamsbeweging hebben. Ook komt blaasgruis vaker voor bij katten met overgewicht dan bij katten die een normaal lichaamsgewicht hebben.

• Stofwisselingsstoornissen
Als er door de nieren veel ammoniak wordt uitgescheiden (bijvoorbeeld bij leveraandoeningen), kunnen uraatstenen worden gevormd.

Hoe herkent u urinewegproblemen?

Blaasstenen kunnen verschillende soorten klachten veroorzaken, afhankelijk van de grootte, plaats en vorm van de steen. Zo kunnen scherpe stenen het slijmvlies van de blaas beschadigen, met blaasontsteking tot gevolg. Ook kunnen stenen de afvoer van urine uit de blaas via de urinebuis blokkeren.

Wanneer een kleine steen vastloopt in de urinebuis, kan de afvoer van urine worden geblokkeerd. Uw kat of hond kan dan niet meer plassen en de blaas raakt overvol. Omdat de urine niet meer afgevoerd wordt, kunnen de nieren de afvalstoffen niet langer uit het lichaam verwijderen en ontstaat er een ophoping van deze stoffen in het lichaam. Dit veroorzaakt lusteloosheid, verlies van eetlust, braken en algemene malaise.

Een verstopping van de urinebuis is een levensbedreigende situatie, waarbij een onmiddellijke behandeling door de dierenarts van het allergrootste belang is (SPOEDGEVAL!). Neem bij twijfel altijd contact op met uw dierenarts, want hoe eerder uw kat of hond behandeld wordt, des te groter is de kans op volledig herstel.

 

De behandeling van blaasstenen

Omdat de behandeling niet voor elk type blaassteen hetzelfde is, is het belangrijk te weten welke blaassteen de klachten veroorzaakt. Uw dierenarts kan hiervoor urineonderzoek doen, een röntgenfoto maken en eventueel de blaasstenen voor analyse opsturen naar een laboratorium. Sommige stenen, zoals struviet, kunnen worden opgelost met speciale
dieetvoeding. Andere stenen, zoals calciumoxalaat, zal uw dierenarts operatief moeten verwijderen. De verdere behandeling wordt afgestemd op het type blaassteen dat gevonden wordt. Deze behandeling is er vooral op gericht te voorkomen dat de stenen opnieuw worden gevormd. De dierenarts kan een combinatie van speciale dieetvoeding en medicijnen adviseren. Indien er sprake is van een verstopping van de plasbuis zal de dierenarts de steen via een catheter proberen te verwijderen of, indien dit niet mogelijk is, via een operatie. Ondersteunend wordt er meestal vocht
(infuus) toegediend en daarna medicijnen en een speciale dieetvoeding geadviseerd.

 

Invloed van de dieetvoeding

De voeding kan de vorming van blaasstenen op verschillende manieren beïnvloeden:

• Urine-pH
Via de samenstelling van de voeding kan de pH van de urine verhoogd of verlaagd worden.

• Mineralen
Een lage opname van de kristalvormende mineralen via de voeding kan de kans op herhaalde steenvorming verminderen. Daarom zijn in speciale dieetvoedingen de gehaltes aan bepaalde mineralen aangepast.

• Vochtopname
Het is belangrijk de wateropname van uw kat of hond te stimuleren, zodat hij meer urine kan produceren. Bij droogvoeding kan de vochtopname worden bevorderd dankzij een lichte verhoging van het natriumgehalte.
Indien uw kat of hond ‘natte’ voeding krijgt (blikvoeding, portieverpakking of alutray), wordt automatisch meer vocht met de voeding opgenomen.

• Eiwitgehalte
Voor de hond met struvietstenen is ook het eiwitgehalte van de voeding van belang. Indien er sprake is van een bacteriële blaasontsteking kan beperking van het eiwitgehalte nuttig zijn. Bij de hond komt een bacteriële blaasontsteking vaker voor dan bij de kat.